Geelsprietdikkopje – Thymelicus sylvestris

Geelsprietdikkopje - Thymelicus sylvestris

 

Het Geelsprietdikkopje is onder meerdere Nederlandse namen bekend, te weten:

  • Geelsprietdikkopje
  • Bosdikkopje
  • Geel dikkopje
  • Gestreept dikkopje
  • Gemeene Dikkopje

Ook bij de wetenschappelijke namen zijn er meerdere:

  • Thymelicus sylvestris
  • Adopoea sylvestris
  • Thymelicus flava
  • Adopoea flava
  • Thymelicus thaumas
  • Adopoea thaumas
  • Hesperia linea
  • Hesperia thaumas
  • Adopaea thaumas

 

 

In het boek Vlinderwereld, waar de vlinder ‘Het Gemeene Dikkopje’ heet staat de volgende omschrijving en bijbehorende afbeelding:

Geelsprietdikkopje - Thymelicus sylvestris

Elke zomerwandeling in Juni of Juli kan u, waar ge ook in ons land woont, op zonnige dagen in kennis brengen met dit gezellige, aardige vlindertje, dat aan zand- en straatwegen, vooral aan de eerste in boschrijke streken, zoo druk en bedrijvig om u heen fladdert, ijverig bezig op blauwe Jasione en rose klaver en dat ook de allereenvoudigste weidebloempjes niet versmaadt. Daar toch te midden der grassen legt het wijfje haar eitjes, waaruit zich de groene rupsjes met donkere licht ingevatte rug- en witte zijdestreep ontwikkelen. Zij groeien heel langzaam en zijn eerst laat in ’t volgend voorjaar volwassen, worden in Mei tot bleekgroene popjes en laten dan al na een week of drie het geelbruine, in de zon met goudglans schitterende vlindertje vrij.

Deze, de algemeenste van onze vijf soorten van Hesperia’s, die alle hooggeel gekleurd zijn, kleine stevige vleugels en een nog al forsch lijfje hebben, heeft om het okergeel van zijn vleugels bij mannetjes en wijfjes een smal donker randje, en ook de onderzij verschilt niet bij de heeren en dames, die is bij beide op het adaptieve gedeelte, zichtbaar in den ruststand, eigenaardig groenachtig grijs, zoo zijn namelijk de achtervleugels op een strookje aan den binnenrand na, en zoo zijn de voorvleugelpunten, want de in rust naar elkaar toegeslagen voorvleugels worden niet geheel bedekt door de er over heen gelegde achtervleugels.

Wat echter de beide geslachten duidelijk onderscheidt is het heldere zwarte lengtestreepje over den voorvleugel bij de mannetjes, bij deze soort schuin geplaatst, niet horizontaal als bij sommige en niet met een zilveren lijntje afgezet als bij andere soorten. Deze teekening, waarschijnlijk aan de aanwezigheid van reukschubjes toe te schrijven, dragers van welriekende klierafscheidingen, waarmee de mannetjes zich ten behoeve der wijfjes parfumeeren, is eigenlijk de eenige afwisseling op het effen, maar daarom niettemin in ’t oog vallend kleed van dezen vlinder.

Bij goed toekijken vraagt hij nog uw aandacht voor zijn sprieten met de gele onderzij van ’t knopje en ’t gele zintuigveldje boven aan het stompe uiteinde, en als alle Hesperia’s voor de aardige haartoefjes aan den kop, tusschen de aan den voet ver uiteen geplaatste voelers.

 

 

In het Verkade-plaatjesalbum De bonte wei beschrijft Jac.P. Thijsse hoe je de rupsjes kunt vinden:

Geelsprietdikkopje - Thymelicus sylvestris

Soms vinft ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes.

In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje, doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.