Vierbandspanner – Xanthorhoe ferrugata

De Vierbandspanner heeft in de loop der jaren verschillende Nederlandse namen gehad:

  • Vierbandspanner
  • Rode bandspanner
  • Vierbandvlinder

Ook bij de wetenschappelijke namen zijn er meerdere bekend:

  • Xanthorhoe ferrugata
  • Larentia ferrugata
  • Cidaria ferrugata
  • Eubolia ferrugaria
  • Xanthorhoe unidentaria

 

 

In het boek Vlinderwereld wordt de Vierbandsvlinder (Cidaria ferrugata), zoals hij daar wordt genoemd, op de volgende manier omschreven:

Vierbandspanner - Xanthorhoe ferrugata

De naam van mijn geslacht, Cidaria, is volgens de geleerden een bijnaam van Ceres, de godin van de landbouw, maar de meeste mijner talrijke geslachtsgenooten hebben met den landbouw al heel weinig te maken, behalve dat ik als rups wel eens profiteer van een land waar kool of wortelen verbouwd worden, hoewel ik evenveel van hondsdraf en walstroo houd. Op die planten te gast gaande, word ik wel eens uitgelachen door mijn 16-pootige mederupsen, omdat ik zoo raar kruip en maar 10 pooten heb, maar gij lezer, die op 2 beenen gaat, zult dat aantal nog meer dan genoeg vinden.

Trouwens de geheele talrijke familie der Spanners heeft dat pootenaantal met mij gemeen, en het is waarlijk niet om mij te schamen, dat ik mij in September en October in spinsel hul, met wat aardkorreltjes daartusschen voor de stevigheid, en dan ongezien dicht tegen den grond den heelen winter doodstil blijf liggen. Dit is omdat ik dan van een bruin grijs rupsje, met op mijn rug aardige zwarte driehoekjes, die met de punt naar achteren wijzen, in een eenvoudige gladde bruine pop veranderd ben, en geen bek heb om te eten en geen oogen en pooten om te zien en te loopen, zoodat ik niet beter weet te doen, dan maar rustig in duister mijn lot af te wachten.

En die tijd komt in Mei, als “alle Knospen sprangen.” Dan springt ook mijn stevig bruin harnasje open en ik kruip naar buiten, om na mijn vier vleugeltjes ontrold en gedroogd te hebben, tegen den avond vroolijk rond te fladderen. Want ik ben dan een vlinder geworden, met wel slechts 6, maar nu ook veel langere pooten en een aardig opgerold zuigertje, waarmee ik mij aan den honig der veldbloemen te goed doe, en met een paar groote half-kogelvormige oogen en een paar lange dunne draadvormige sprieten, hoewel er onder ons ook zijn, de jongetjes, die hun sprieten gekamd hebben.

Zoo, als vlinder, gelijk ik veel op anderen van ons talrijk geslacht Ciadria; maar ik heet ferrugata, omdat ik een ijzerkleurtje heb, dat is zoo een beetje den tint van ijzerroest. Daaraan en vooral aan de teekening op mijn voorvleugels kunt gij mij van mijn naaste verwanten onderscheiden, van wie er trouwens maar weinigen zoo algemeen voorkomen als ik. mijn mooiste sieraad is een breede donkerbruine dwarsband, die het geheele middelveld van mijn voorvleugels inneemt, van voorrand tot binnenrand en welks onregelmatig gebogen randen, zoowel aan de zijde van den zoom als aan die van den wortel met een smal licht strookje afgezet zijn. Bovendien heb ik nog twee donkere vlekjes dicht bij de vleugelspits en hebben zoowel mijn voor- als mijn achtervleugels aardige een weinig gedeelde vrij lange franje, een donkere franjelijn en dicht daarbij een keurig gegolfde streep.

Na wat vroolijk rondvliegen in den maneschijn leggen wij onze zeer kleine, eenigszins platte eitjes op weegbree of zuring of een der andere reeds genoemde planten en daaruit komen in Juni kleine rupsjes, die nu niet een heelen winter hebben te wachten, maar reeds na weinig meer dan een maand verpopt zijn en in vlinders veranderd. Deze zijn dan de ouders van de najaarsrupsen, zooals ik er een ben geweest, en die eerst in het volgende voorjaar hun kruipen voor een luchtiger en verhevener wijze van bewegen mogen verwisselen.