Sperwer – Accipiter nisus

Sperwer (Accipiter nisus)

 

 

Sperwer (Accipiter nisus)

 

 

In het Verkade plaatjesalbum over de Herfst beschrijft Jac.P. Thijsse deze vogel met een kort stukje tekst:

Sperwer (Accipiter nisus)

Nu komen ook de roofvogels opzetten. De felle sperwer zit op den loer en als hij zich een prooi heeft uitgekozen, dan glijdt hij vlug achter boschjes en hagen langs, tot hij de verschrikte buit in zijn scherpe klauwen heeft.

 
 
 

 

In het plaatjesalbum Hoe heet die vogel? wordt de Sperwer op de volgende manier beschreven:

Sperwer (Accipiter nisus)

Volksnamen: Vinkenvalk, Vinkensperwer, Stervalk, Schietvogel, Spelver

Het mannetje heeft de bovenzijde blauwgrijs, in den achterhals een gedeeltelijk bedekte witte vlek, vleugels met doinkere dwarsbanden, staart met grijswitten eindzoom en 5 donkere dwarsbanden, onderzijde wit met roestkleurige dwarsbanden, onderstaartdekveeren wit, vleugel van onderen grijswit met donkerbruine en roestkleurige dwarsbanden. Iris geel, snavel zwart, washuid en pooten geel. Het vrouwtje is aan de bovenzijde bruiner, onderzijde wit met donkergrijsbruine dwarsbanden, is ook duidelijk grooter.

Jeugdkleed: Bovenzijde donkerbruin met vale randen, onderzijde sterk gevlekt, vooral op de borst pijl- en hartvormige roodbruine vlekken.

Tamelijk zeldzame broedvogel in boschrijke streken, in het Oosten plaatselijk talrijker. Enkele paren broeden ook aan de duinkant (Bergen, Bloemendaal, Vogelenzang en Wassenaar). In den trektijd en gedurende den winter overal te vinden, ook in de steden. Hij vliegt zeer snel en woest, meestal laag boven den grond, achtervolgt z’n prooi zelfs door dicht struikgewas.

Voedsel: Voornamelijk kleine vogels en zoogdieren, groote insecten en kikkers. Nestelt in grootere en kleinere bosschen, vooral in naaldhout, meestal vrij hoog, maar ook wel (in de duinen) in lage boomen. Nest van doode takjes, vaak wordt een oud nest van andere vogels gebruikt.

Broedtijd: Mei-Juni (soms nog wel begin Juli).

Eieren: In den regel 4-6, zelden 7 groenachtig witte, bij doorvallend licht groene eieren, meestal dicht bevlekt met roodbruine en donkerbruine vlekken.

Broedduur: 34-35 dagen, het vrouwtje broedt alleen. Eén broedsel per jaar. De jongen vliegen na vier weken uit.

Veldkenmerken: In de vlucht gemakkelijk aan korte en breede vleugels en langen breeden staart te herkennen. Leikleurige bovendeelen en onderzijde (ook de vleugels) met donkere dwarsbanden geven goede verschilpunten met Torenvalk. Bidt nooit.

Trekgegevens: Algemeene doortrekker, vooral in October, in het voorjaar in kleiner aantal.

 

 

In het determineerboekje Zien is kennen wordt de Sperwer op de volgende manier beschreven:

Sperwer (Accipiter nisus)

Volksnamen: Blauwvalk, Stervalk, Vinkenvalk, Schietvogel, Koekûtsfear.

Volwassen kleed: Zie afbeelding. De bovenzijde is blauwgrijs met in de nek een witte vlek. Staart met vijf donkere dwarsbanden en een lichte eindzoom. Het vrouwtje is duidelijk grooter en heeft de bovenzijde bruin; bovendien zijn de fwarsstrepen aan de onderzijde zwart.

Jeugdkleed: Lijkt op het vrouwtje, aan de onderzijde in plaats van streepjes overlangsche en hartvormige vlekken.

Broedgegevens: Vrij zeldzame broedvogel, meest in het Oosten van ons land. Enkele paren in de duinen. Het nest ligt in hooge (meest naald-)boomen en heeft dikwijls eerst aan andere vogels toebehoord. 3-7 groenwitte, bruingevlekte eieren. Broedduur bijna vijf weken. Broedvogel van Europa en West-Azië.

Nadere bijzonderheden: Woeste roofvogel, die leeft van kleine vogels en zoogdieren, insecten, kikkers. Achtervolgt in wilde vaart zijn prooi tot in dicht struikgewas, zelfs tot in schuren en huizen. Lange pooten (weinig bevederd). In het vliegbeeld vallen de breede, eenigszins afgeronde vleugels en de lange breede staart op. Het mannetje verschilt van de Torenvalk vooral door de blauwgrijze bovenzijde; de beide sexen, vliegend door de vorm der vleugels en doordat zij nooit “wiekelen”, overigens door de dwarsteekening der onderzijde.