Gestreepte Goudspanner – Camptogramma bilineata

De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

Meestal kom je de Gestreepte Goudspanner ‘s avonds tegen, al komt het voor dat ze ook overdag in onze tuin te zien zijn. Het is een algemene soort, wat ik kan bevestigen met de ontmoetingen in onze tuin – ieder jaar kom ik ze weer tegen, rustig afwachtend wat de avond brengen zal.

Ze vliegen van half mei tot eind augustus. De laatste jaren wordt hij meer en meer gezien, kennelijk wordt het klimaat voor deze vlinder hier prettiger. Ze zijn te vinden in bosjes, houtwallen, akkerranden, tuinen, brede bospaden, heiden, moerassen en rivieroevers en zijn dan te vinden op kruidachtige planten zoals walstro, zuring, muur en viooltjes.

Nederlandse namen:

  • Gestreepte goudspanner
  • brandnetelspanner
  • goudspanner

Wetenschappelijke namen:

  • Camptogramma bilineata
  • Larentia bilineata
  • Euphyia bilineata
  • Cidaria bilineata

In Vlinderwereld, een boekje uit 1899, staat de volgende informatie:

Dit zijn nu echt vlindertje’s, die de natuur bij massas uit de mouw schudt; ge stoot maar ’s zomers tegen een heestergroepje in uw tuin of op de wandeling langs den straatweg of aan den boschrand en deze Cidaria bilineata komt u tegemoet, het G e s t r e e p t e G o u d s p a n n e r t j e, zooals men haar gevoeglijk zou kunnen noemen. Want een onvergelijkelijk mooie dofgouden tint ligt over het diertje uitgebreid; onze afbeelding, hoe goed ook van teekening, kon dien heerlijken, warmen toon er niet aan geven.

Bij menigten vingen we ze dezen zomer bij dag, als ze in tientallen opvlogen uit de hazelaars en ribesstruiken, en bij avond, als ze op ’t verandagaslicht afvlogen, niet woest en onstuimig als de uilen doen, maar kalm, rondfladderend als om de omgeving eens op te nemen. Al spoedig werden ze herkend op ’t eerste gezicht en stil met rust gelaten, toen we genoeg naar onzen zin bijeen hadden. Fijn en teer als ze zijn, beschadigt men ze licht bij ’t opzetten en vooral bij ’t vangen met het netje.

Alles is sierlijk aan dit spannertje, sierlijk vooral de achterranden der vleugels, zoo keurig fijn getand met die afwisselend licht- en donkerbruine franje en het haarfijne zwarte franjelijntje. De palpen vallen hier iets meer, de sprieten iets minder in het oog dan gewoonlijk bij spanners ’t geval is; de eerste staan flink behaard rechtuit onder de gladde bruine oogjes en de laatste zijn heel teer en dun draadvormig en ook bij ’t mannetje zoo goed als niet behaard.

Eenvoudig en toch rijk zoo is het kleedje van dezen vlinder te noemen; op den gouden grond geen andere dan golflijnen, die dwars over beide vleugels loopen, bruine, die buitenwaarts aan ’t middelveld tot een iets breederen band zich vereenigen en daar met een keurig helderwit lijntje zijn afgezet en andere golflijntjes, flauwer van tint, aan den onderkant der ook daar even mooi vergulde voor- en achtervleugels.

Bij dag verschuilt Cidaria bilineata zich, maar ze is toch heel lichtslaapsch en is uit allerlei planten gemakkelijk op te jagen. Dat ge haar zoo veelvuldig vindt, verbaast u niet als ge leest, hoe de rups, een eenvoudig lichtgroen spanrupsje, na haar overwintering, in April volwassen en nog weer in Juli in tweede generatie te vinden, een achte alleseter is. Als haar voedsel vindt ge genoemd Leontodon en Onosis, Potentilla en Zuring, Weegbree en Galium, Brandnetel, Koekoeksbloem en Primula. Zij houdt zich bij dag zeer verborgen en neemt bij nacht haar maaltijden. De roodbruine pop ligt in den grond, maar niet diep, omgeven door een dun spinseltje met aardkorreltjes vermengd.

Logo Ayame (iris)