Aalscholver – Phalacrocorax carbo
De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

Een aalscholver kent iedereen wel, met de vleugels gespreid opeen paal of een steen om te drogen na het vangen van hun voedsel: vissen!
De dag breekt aan –
in hun manden slapen uitgeput
de aalscholvers
Bovenstaande haiku van Shiki (vert. H. Kerlen) laat zien dat Aalscholvers vroeger in Japan – en waarschijnlijk ook in nadere landen – gebruikt werden voor de visvangst. Ze krijgen dan een ring om hun nek, waardoor ze de vis niet kunnen doorslikken. De visser haalt de vis uit zijn keel, waardoor de Aalscholver opnieuw op zoek moet naar vis. Dit gebeurt meestal ’s nachts, als er vuren op het water worden gemaakt die de vissen aantrekken, waardoor de Aalscholvers een grotere vangst krijgen. ’s Morgens zijn ze dan moe en slapen diep, nadat ze hun maaltje van de visser hebben gekregen.



In het Verkade plaatjesalbum Het Naardermeer vinden we de volgende afbeelding en tekst:

De meerkoeten in de verte schijnen niet rond te zwemmen op ’t water, maar te zweven in de lucht, en zoo lijken ook een dozijn groote zwarte vogels, die zich op een staketsel zitten te zonnen tot een andere wereld behooren. Als ik dichter bij kom, vliegen ze op en dan vliegen in den spiegel twaalf vogels ondersteboven mee.
Het zijn onze aalscholvers. Ik zeg “onze”, omdat ze hoogstwaarschijnlijk nakomelingen zijn van de aalscholvers, die een goede vijftig jaar geleden in het Meer in de elzeboschjes hebben genesteld en toen wreedaardiglijk zijn verdreven.
Die aalscholvers, zooals hun naam ook al aanduidt, eten graag paling in overvloedige hoeveelheid en worden daarom door de visschers onverholen gehaat en er zijn geen heele boel visschers, die wel wilden, dat er geen enkele aalscholver in de wereld bestond. Zoo dacht ook de visscher erover, die een halve eeuw geleden baas in ’t Meer was en die heeft op een kwaden dag al de aalscholvernesten in de lage boompjes uitgehaald, de jongen geworgd en rondom de nesten opgehangen en toen het heele boschje in brand gestoken.
Het behoeft niemand te verwonderen, dat na zult een behandeling de oude vogels ervan afzagen, om verder in dat meer te broeden en ze zijn toen hun tenten gaan opslaan in de Vechtstreek en het Gooi. Doch altijd komt er nog een troep op ’t Meer visschen, wat ze tegenwoordig gerust mogen doen, en als ze weer opnieuw bij ons willen komen nestelen, dan worden ze met open armen ontvangen. Onze visschers van tegenwoordig hebben al lang bemerkt, dat er, ondanks alles wat de reigers en aalscholvers weghalen, voor hen nog altijd genoeg overblijft.

In het eerste deel van het plaatjesalbum Hoe heet die vogel vinden we het volgende:

Volksnamen: Schollevaar, Waterraaf, Bakenbreker, Rotgans.
Prachtkleed: Geheel zwart met groenachtige bronskleur, aan kop en hals witte veertjes, op de dij een witte vlek. Naakte huid voor het oog zwart, bij den mondhoek goudgeel. Iris groen, pooten zwart.
Winterkleed: Als prachtkleed, maar zonder wit aan kop en dijen.
Broedtijd: Maart (soms al in Febr.) Juni en later.
eieren meestal 3-4, ook vaak 5, lichtgroen, met witte kalklaag bedekt, die later dikwijls bruinachtig wordt.
Broedduur 28 dagen. beide sexen broeden. De jongen vliegen na ± 6 weken uit In veel gevallen meer dan één broedsel.
Veldkenmerken: groote zwarte vogel, zwemmend met schuin omhoog wijzende haaksnavel. Vliegt met uitgestrekten nek, die iets naar boven gebogen is, boven water meestal laag, boven land hoog, zitten vaak met wapperende en uitgespreide vleugels op bakens, staken, kribben of op steenen van dijken te zonnen.
Trekgegevens: Voor een groot deel standvogel, is ook ’s winters meestal op de broedplaatsen aanwezig.
