De jeeste van Walewein en het schaakbord

De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

Dit is een Middelnederlandse Arthurroman, geschreven door Penninc en afgemaakt door Pieter Vostaert aan het begin van de 13e eeuw.

Op een dag, als koning Arthur hof houdt, zweeft er na het eten een schaakspel door het raam naar binnen om op de vloer te landen, klaar om bespeeld te worden. Als blijkt dat niemand het wil bespelen, verdwijnt het schaakspel weer, zoals het is gekomen.

Koning Arthur is onder de indruk van de schoonheid van het schaakspel en wil het in zijn bezit hebben en vraagt aan de aanwezige ridders wie het voor hem wil gaan halen. Als beloning krijgt diegene die hem het schaakspel brengt, na het overlijden van Arthur diens land en kroon als beloning. Als niemand reageert, vraagt Arthur het nogmaals. Als er weer niemand reageert, zegt Arthur dat hij het zelf zal gaan halen, omdat hij diegene is die het schaakspel wil hebben.

Walewein, die begrijpt dat het geen pas heeft als de koning dit zelf moet doen, biedt zich dan aan om het schaakspel te halen, als Arthur zijn woord gestand doet dat diegene die hem het schaakspel brengt, na zijn dood diens opvolger wordt. Arthur bevestigt zijn belofte, waarop Walewein Gringolet, zijn paard, laat zadelen en vertrekt. Keye roept hem na, dat als hij een touwtje aan het schaakspel had gebonden, hij het nu alleen maar terug hoefde te trekken. Arthur zegt dat hij zijn mond moet houden, omdat hij zich niet heeft aangeboden om het schaakspel te halen. Iedereen kijkt Walewein na als hij het schaakbord achtervolgt tot hij uit het zicht is verdwenen.

Eenmaal onderweg ziet Walewein het schaakbord in een berg verdwijnen. Hij gaat erachteraan, maar als hij de berg binnengaat, sluit deze zich achter hem en wordt het donker. Walewein is bang dat hij het schaakspel uit het oog zal verliezen en denkt aan de hoon dat hem ten deel zal vallen als hij met lege handen zal terugkeren aan het hof. Hij leidt Gringolet dieper de berg in en na lang dolen ziet hij uiteindelijk een lichtpunt. Op weg hiernaartoe ziet hij een nest met vier jonge draken. Hij besluit de jonge draken te doden en slaat direct de eerste het hoofd af. De tweede weet hij zo te verwonden, dat deze het niet overleeft en van de derde weet hij een poot af te slaan. De vierde valt Walewein aan en slaat hem met de staart tegen de grond en springt met wijdopen gesperde bek op Walewein af. Deze pakt echter de bek beet en trekt de kaken uit elkaar en weet zo deze draak te doden. De derde draak, die een poot mist, is op Gringolet afgegaan, maar het trouwe paard verkoopt het beest zo’n trap, waardoor de draak door de lucht vliegt en bij Walewein beland, die het direct met zijn zwaard doodt.

Hierna rijden ze samen verder in de richting van het licht dat een scheur in de rotswand blijkt te zijn, waar de drakenmoeder in- en uitgaat om voedsel voor haar jongen te halen. Als Walewein hier aankomt, ziet hij de draak aankomen. Hij verbergt zich in een nis en als de draak binnenkomt, doorboort hij haar met zijn lans, waardoor de draak dodelijk gewond neervalt. Als Walewein de speer uit het lichaam wil trekken, doet dit zo’n pijn bij de draak, dat deze vuur begint te spuwen. Door de hitte denkt Walewein dat hij dit avontuur niet zal overleven. Het monster begint door de pijn met zijn staart te slaan en maakt op deze manier een bres in de rotswand, waardoor Gringolet naar buiten kan. Walewein krijgt echter een klap met de staart en vliegt een hoek in en wordt hier gevangen gehouden door de draak, die hem in zijn opgerolde staart vast weet te houden. Deze situatie duurt zo 10 uren, totdat Walewein een hand weet vrij te krijgen en hiermee zijn dolk pakt. Hiermee geeft hij de draak de genadestoot en weet zich met dezelfde dolk te bevrijden van de staart, door deze af te snijden.

Hij gaat op zoek naar zijn wapens, maar vindt alleen zijn zwaard. Als hij door de opening naar buiten gaat, treft hij daar Gringolet. Walewein verzorgt zijn wonden zo goed en zo kwaad als hij kan en kijkt naar een manier om van de berg af te komen. Beneden zich ziet hij een rivier, waar hij besluit in te springen, samen met Gringolet. In het water klampt hij zich aan zijn trouwe paard vast als deze naar de kant zwemt, waar ze volledig uitgeput op het droge klimmen. Gringolet blijft voor dood liggen, waarop Walewein hem begint te verzorgen. Na een tijdje komt Gringolet langzaam weer bij zijn positieven, waarna Walewein zichzelf inspecteert. Hij is nagenoeg naakt, omdat de draak zijn wapenrusting heeft weten te vernietigen en zijn kleren zijn grotendeels verbrand. Wat wapens betreft bezit hij alleen nog een zwaard.

Hij besluit om verder te trekken, om onderdak te vinden en weer een spoor van het schaakbord te vinden. Al gauw ziet hij een kasteel liggen, waar koning Wonder woont. Als Walewein bij de koning komt, ziet hij het schaakspel staan, waar de koning op speelt tegen zijn zoon Alydrisonder. De koning en zijn zoon verwelkomen Walewein en dragen twee schildknapen op om voor Gringolet te zorgen, die nog niet hersteld is van de doorstane avonturen.

Koning Wonder, die ziet dat Walewein onder de verse wonden zit, laat twee andere schildknapen komen en deze doen de gehavende ridder in bad. Hierna wordt hij naar een rijk versierd wonderbed gebracht. Degene die op dit bed slaapt, staat na een uur volledig genezen en uitgerust weer op. Terwijl Walewein slaapt, laat koning Wonder zijn wapens en het harnas weer in orde brengen. Als Walewein wakker wordt, is hij verbaasd dat hij weer helemaal gezond is. Er komen bedienden met nieuwe kleren en als hij is aangekleed, komt koning Wonder hem halen om te eten. Walewein is zeer verbaasd over het grote aantal edelen dat aanwezig is en over de rijkdommen in het kasteel.

Na het eten vraagt Alydrisonder naar de reden van het bezoek van Walewein. Deze zegt dat hij voor het schaakspel komt en verteld het hele verhaal van zijn avonturen. Koning Wonder zegt dat ze er samen om kunnen vechten, maar Walewein weigert dit, omdat het niet gepast is om met iemand te strijden, die hem zo gastvrij heeft ontvangen. De koning is ingenomen met dit hoffelijke antwoord en biedt hem een andere mogelijkheid om het schaakspel in zijn bezit te krijgen. Hij kan het ruilen tegen het zwaard met de twee ringen, welke in het bezit is van koning Amoraen. Dit zwaard kan alleen aangeraakt worden door een uitverkorene, iemand die een deugdelijk leven leidt. Diegenen die uitverkoren zijn om het zwaard te hanteren, hebben er ook een machtig wapen aan, omdat het een tegenstander in een klap door midden kan slaan. Walewein neemt dit aanbod aan en de volgende morgen vertrekt hij samen met zijn paard Gringolet om het zwaard met de twee ringen te halen.

Als hij een woud in gaat, hoort hij iemand klagen. Walewein is benieuwd wat er aan de hand is en gaat kijken of hij kan helpen. Hij ziet een jongeman die op een zeer armoedig paard zit. Hij vraagt wat er scheelt. Deze antwoord dat zijn broer vermoord is en dat de dader hem al jaren bespot en belachelijk maakt. Hij heeft nu bij de koning om een duel gevraagd met de dader. Dit is hem toegestaan door de koning, maar hij zal dan eerst tot ridder moeten worden geslagen, anders mag hij de andere ridder niet uitdagen. Als hij op de afgesproken dag niet tot ridder geslagen is, zal hij al zijn bezittingen verliezen. Daarom is hij op pad gegaan naar koning Arthur om door hem tot ridder te worden geslagen maar is onderweg overvallen en daardoor zijn paard en zijn wapens kwijtgeraakt. Walewein besluit hem Gringolet te lenen, zodat hij naar koning Arthur kan rijden en als ridder weer op tijd terug kan zijn voor het duel.

Walewein besluit om te voet verder te gaan, omdat het paard van de jongeman niet bij machte is om een last te dragen. Als hij het woud uit loopt, ziet hij een kasteel waar hij onderdak wil vragen. Op dat moment komt er een ridder te paard op hem af en wil hem gevangen nemen. Verbaasd vraagt Walewein waarom hij gevangen wordt genomen en krijgt als antwoord dat hij niet in staat is om de tol te betalen. Als tol zou Walewein zijn wapenrusting en zijn paard moeten inleveren, maar omdat hij geen paard heeft, kan hij dus zijn tol niet betalen en wordt hij gevangen genomen.

Walewein zegt dat de ridder zijn tol maar met het zwaard moet komen halen en na een kort gevecht weet hij de ridder te doden. Dan pakt hij diens paard en gaat naar het kasteel. Als ze op het kasteel Walewein aan zien komen, proberen ze de poort te sluiten voordat hij binnen kan komen, maar Walewein weet met een snelle rit net binnen te komen en slaat vervolgens de portier het hoofd af. Hij sluit nu zelf de poort, zodat niemand er meer in of uit kan en loopt met getrokken zwaard het kasteel in, iedereen dodend die hij tegenkomt. Als hij iedereen heeft gedood in het kasteel, opent hij de poort en rijdt weg. Reizigers kunnen nu ongehinderd door dit rijk, zonder angst te hebben voor de tol.

De jongeman is intussen op Gringolet bij het kasteel van koning Arthur aangekomen, waar men zich verwondert afvraagt, waarom deze jongeman op het paard van Walewein rijdt. Keye zegt dat hij Walewein overwonnen moet hebben en nu koning Arthur iets aan wil doen, waarop wordt voorgesteld om de jongeman te doden. Lancelot is de verstandigste en maant iedereen tot rust en zegt dat ze eerst rustig het verhaal van de jongeman moeten aanhoren. De jongen wordt ontvangen en verteld alles wat hem is overkomen en wat het doel is van zijn reis, waarop koning Arthur hem tot ridder slaat. Hierna gaat de jonge ridder direct weer terug om op tijd te komen voor zijn duel.

Walewein is inmiddels bij een heuvel gearriveerd, waar hij in het dal een kasteel ziet waar veel ridders naar toe rijden. Aan een passerende schildknaap vraagt hij wat er aan de hand is krijgt alse antwoord dat dit het kasteel van koning Amadi is, waar alle ridders heen gaan in verband met een tweekamp. De schildknaap wijst een ridder aan, die uitgedaagd is door een jonge knaap, die naar het hof van koning Arthur is gegaan om tot ridder te worden geslagen. Walewein vraagt aan de schildknaap of er ook medestanders van de uitdager aanwezig zijn, waarop deze ontkennend antwoord. Zijn mensen durfden niet te komen, toen ze wisten wie de tegenstander zou zijn.

Walewein besluit zijn kamp op te slaan bij een linde op het veld waar men bezig een strijdperk te maken, om het verloop van de gebeurtenissen te volgen. Als het strijdperk klaar is, nodigt koning Amadi de uitgedaagde ridder uit, om bij hem te komen, waarop ze samen wachten op de tegenstander. Aan het eind van de dag, vind de uitgedaagde ridder dat hij de winnaar is, omdat zijn tegenstander niet is komen opdagen. Op dat moment komt de uitdager op een vermoeide Gringolet aanrijden. Als de jonge ridder ziet dat er niemand van zijn mensen aanwezig is, vraagt hij de koning om bescherming voor het geval hij het duel mocht winnen, wat de koning hem belooft. De beide ridders beginnen hierop met het gevecht. Beiden lopen ernstige verwondingen op, maar uiteindelijk weet de jonge ridder de ander te doden.

De medestanders van de gedode ridder stormen nu op de jonge ridder af en vallen hem aan. Koning Amadi, die het duel vanuit zijn kasteel heeft gevolgd, ziet alles gebeuren, maar kan niet snel ter plaatse zijn. Ook Walewein ziet wat er gebeurt en besluit in te grijpen. Hij rijdt naar de jonge ridder en verwond onderweg menig ridder. Als hij bij de jonge ridder aankomt, geeft hij hem zijn paard, terwijl Gringolet naar Walewein komt en samen weten ze veel ridders te verslaan, totdat koning Amadi arriveert en zich met zijn mannen bij Walewein en de jonge ridder voegen. Gezamenlijk weten ze de tegenstanders te verslaan en doden er vele. Uiteindelijk, als de tegenstanders op de vlucht slaan, gaan ze naar het kasteel van de koning, waar ze te eten krijgen en kunnen slapen.

De volgende morgen begint Walewein zich aan te kleden, met het doel vroeg te vertrekken, zodat hij verder naar het zwaard met de twee ringen kan zoeken, als de koning en de koningin binnen komen. Zij vragen hem om te blijven, maar Walewein legt uit dat hij een belofte moet inlossen en dus verder wil. Ook de ridder, wiens leven hij heeft gered vraagt hem om te blijven, maar Walewein blijft bij zijn standpunt, waarop de ridder hem alsnog bedankt voor het redden van zijn leven. Walewein vraagt de koning om goed op de jonge ridder te letten, dat hij weer veilig in zijn land komt. Hierna verlaat hij het kasteel, tot verdriet van de koning, de koningin en de jonge ridder.

Walewein zoekt hierna voor langere tijd naar het kasteel van koning Amoraen. Hij begint de moed langzaam te verliezen, tot hij een kasteel in het water ziet staan. Hij is verbaasd, want hij ziet geen weg die naar het kasteel gaat, maar hij ziet wel afdrukken van paarden in het zand. Hij besluit op goed geluk het spoor te volgen, het water in. Hij weet hierdoor een eiland te bereiken tot hij merkt dat het vloed begint te worden en zoekt opnieuw een uitweg. Hij ziet al snel een pad en besluit deze op goed geluk te volgen, totdat hij uiteindelijk bij het hoger gelegen kasteel uitkomt. Al snel komen er enkele schildknapen naar hem toe, die hem aanbieden om Gringolet op stal te zetten. Ook vragen ze wapens van Walewein en zijn harnas. Als Walewein dit alles heeft gegeven, vraagt hij waar hij is. De jongens antwoorden hem dat hij in kasteel Ravenstein is, het kasteel van koning Amoraen.

Koning Amoraen verwelkomt zijn gast en zegt dat hij blij is dat Walewein op zijn kasteel is, waarna ze naar binnen gaan. In de grote zaal aangekomen vraagt Walewein hoe het komt dat de koning hem kent. De koning antwoordt dat hij lang geleden in de buurt van het hof van koning Arthur is geweest en daar veel verhalen hoorde over “der avonturen vader“. Hij reed daar met zijn gezelschap, toen er vier ridders naderden, van wie er een iedereen groette en zijn hulp aanbood. Bij navraag bleek dat deze ridders o.a. Lancelot, Ywein en “der avonturen vader“, namelijk Walewein, waren, waarvan laatstgenoemde de mensen had begroet. Volgens de schildknaap aan wie de koning deze informatie vroeg was Walewein de meest hoffelijke en dappere ridder die op dat moment leefde. De koning zegt tegen Walewein dat hij dit hoffelijke gedrag altijd heeft willen belonen en schenkt Walewein het zwaard met de twee ringen, waar hij naar op zoek is.

Koning Amoraen pakt het zwaard en kijkt of Walewein waardig is om het zwaard te dragen. Diegene die het zwaard voert, moet een vroom en moedig man zijn. Walewein slaagt voor deze test, want hij kan het zwaard beetpakken en uit de schede trekken. Voor deze gift vraagt de koning een gunst aan Walewein, nl. dat hij een jonkvrouw, Isabel genaamd, haalt zodat de koning met haar kan trouwen. Zij is de dochter van koning Assentijn en woont in een kasteel met twaalf muren, die elk bewaakt wordt en tussen de muren stromen rivieren. Walewein belooft dat hij de jonkvrouw zal halen in ruil voor het zwaard met de twee ringen. De volgende morgen zadelt Walewein zijn paard Gringolet en vertrekt.

Als ze een stuk hebben gereden, komen ze bij een brede en diepe rivier. Aan de overzijde ziet Walewein een ridder rijden, die in gezelschap is van een jonkvrouw, die door hem wordt mishandeld. Walewein wil hier iets aan doen en omdat er geen brug te zien is, laat hij Gringolet in het water springen waarop deze met Walewein naar de overzijde zwemt. Hier aangekomen ziet hij in de verte drie andere ridders aankomen. Aangezien hij geen idee heeft of het vrienden zijn van de ridder met de jonkvrouw besluit hij niet af te wachten maar direct de ridder aan te spreken op zijn gedrag. Deze is hier zo woedend over, dat het op een gevecht uitloopt, wat Walewein weet te winnen, dankzij het zwaard met de twee ringen.

Na afloop van het gevecht neemt Walewein de helm van het hoofd van de zwaargewonde ridder af, die aangeeft te willen biechten, waarna hij al zijn misdaden aan Walewein opbiecht. Ook zegt hij dat drie vrienden van hem er aankomen, ieder met een geschaakte vrouw. Hij waarschuwt Walewein dat hij moet oppassen voor deze ridders. Als daarna ook de jonkvrouw de ridder genade schenkt, vraagt de ridder of Walewein hem na zijn dood wil begraven, wat Walewein hem belooft, waarna de ridder overlijdt.

Op dat moment komen de vrienden van de overleden ridder bij het gezelschap aan en als ze zien dat hun vriend dood is, aarzelen ze geen moment en vallen Walewein aan. Na een fel gevecht weet Walewein er een te doden. De andere twee overleggen wat te doen en besluiten alsnog om de aanval in te zetten. Walewein weet er een te onthoofden, waarna de laatste ridder zich overgeeft. Walewein laat hem vervolgens de riddereed zweren en laat hem beloven voor de drie jonkvrouwen te zorgen, die de ridders bij zich hadden.

Het is inmiddels avond geworden en Walewein besluit om naar een kasteel in de buurt te gaan die de jonkvrouw kent die Walewein van de eerste ridder bevrijd heeft, omdat het van een oom van haar is. Aangekomen bij het kasteel, passeren ze een ridder die grote haast heeft. Walewein vraagt hem wat er scheelt, waarop de ridder zegt dat hij op weg is naar hulp, omdat de nicht van de kasteelheer is ontvoerd en men een zoekactie wil beginnen. Walewein antwoord dat hij de jonkvrouw gevonden heeft en nu terug komt brengen. In het kasteel is iedereen opgelucht dat ze bevrijdt is en dat de dader is bestraft.

Na in het kasteel gegeten te hebben, gaat Walewein terug naar de dode ridder, om hem te begraven. De kasteelheer en de jonkvrouw vinden dat hij uit moet rusten, maar Walewein wil zijn belofte aan de overleden ridder gestand doen en vertrekt. Bij de dode ridder aangekomen, begint Walewein de wacht te houden en te bidden. Rond middernacht ziet Walewein duivels te voorschijn komen, die de dode ridders hun loon komen geven voor hun slechte leven. De dode ridder, die berouw heeft getoond en de biecht heeft gedaan, wordt beschermd door Walewein, zodat de duivels met de andere dode ridder genoegen moeten nemen. Walewein besluit na dit voorval niet langer te blijven en rijd met de dode ridder naar een kapel, waar hij samen met een priester, de ridder begraaft.

Na dit voorval gaat Walewein verder op zoek naar Isabel, om zijn belofte aan koning Amoraen in te lossen. Na lange tijd komt hij bij een brede rivier, waar hij aan de overzijde een mooi kasteel ziet liggen. Hij besluit op zoek te gaan naar een brug, om bij het kasteel te komen. Uiteindelijk ziet hij er een, maar deze kan hij niet over omdat deze zo scherp is als een scheermes. Walewein besluit dat Gringolet met hem naar de overkant moet zwemmen, maar eerst wil hij het water peilen met zijn lans. Als hij de lans bij het water houdt, verbrand deze door het water. Hij denkt dat hij droomt en stuurt Gringolet naar het water, maar hier aangekomen, komt er een bliksemstraal uit het water, waardoor hij begrijpt dat het geen droom is.

Verderop langs het water ziet hij een linde staan, waar hij naar toe rijdt. Deze linde blijkt in een vrijthof te staan, waar een muur omheen gebouwd is. Vermoeid als hij is, valt hij in deze mooie tuin in slaap. Ondertussen komt er een vos, Roges genaamd, langs en steelt alles van Walewein, het zwaard met de twee ringen, zijn paard Gringolet en zijn schild. Als Walewein wakker wordt, ziet hij de vos. Hij denkt dat het de duivel is en verkoopt hem een klap. Als hij vervolgens ziet dat al zijn spullen weg zijn, pakt hij de versufte vos en vraagt aan hem of deze weet waar zijn spullen zijn. De vos antwoord dat hij weet waar alles ligt en dat Walewein al zijn spullen terug zal krijgen. Walewein is verbaasd dat de vos kan praten en vraagt hoe dit komt.

De vos verteld dat hij Roges heet en een zoon is van koning Roges. Nadat zijn moeder is overleden, is zijn vader hertrouwd. Hij, Roges, was op dat moment in het buitenland. Als zijn vader een hofdag houdt, ziet hij de nieuwe echtgenote van zijn vader voor het eerst. Zijn stiefmoeder is zeer gecharmeerd van hem en vraagt de koning of zijn zoon in het vervolg niet aan het hof kan blijven, waar deze mee instemt. Als vervolgens de stiefmoeder Roges apart neemt om hem dit te vertellen, probeert zij hem te verleiden, wat hij afwijst. Hierna begint zijn stiefmoeder zichzelf toe te takelen en om hulp te roepen. Als de koning de kamer in komt, beschuldigd zij Roges ervan dat hij haar heeft willen aanranden. Zijn vader wil hem voor straf doden, maar niemand wil hem gevangen nemen. Uiteindelijk nemen twee broers van zijn eigen moeder hem mee om te straffen, maar zijn stiefmoeder denkt niet dat zij Roges zullen straffen en veranderd hem in een vos. De betovering kan ongedaan worden gemaakt als hij koning Wonder, Alydrisonder, Walewein en de dochter van koning Assentijn, Isabel genaamd, tegelijk bij elkaar ziet. Een zus van zijn eigen moeder, hertogin Alene, heeft vervolgens de stiefmoeder veranderd in een pad, die bij de poort moet wachten tot de betovering wordt verbroken.

Roges vervolgt dat hij op zoek is gegaan naar Walewein. Na veel omzwervingen ben ik hier terecht gekomen, verteld hij, en heb ik dit prieel gemaakt in de hoop dat Walewein hier komt uitrusten als hij op zoek is naar de jonkvrouw, die in het kasteel aan de andere oever woont. Walewein zegt dat hij weet waar Walewein is en dat hij dit aan Roges zal vertellen als deze zegt wat er met de rivier aan de hand is. Roges zegt dat dit het vagevuur is. Hij vraagt of Walewein de zwarte vogels ziet, die in het water vallen en er weer uitkomen. Dit zijn de zielen, die er zonder zonden weer uitkomen, tot ze over de brug verderop naar de hemel gaan. Vervolgens vraagt Roges waar hij Walewein kan vinden en deze antwoord dat Roges hem voor zich ziet staan.

Roges is zo blij, dat hij tegen Walewein zegt, dat hij bij hem blijft, tot de betovering is verbroken en geeft hem alles terug, wat hij heeft weggenomen. Walewein vraagt of Roges iets over het kasteel weet en hoe hij er binnen kan komen, maar Roges raad hem dit af, omdat het kasteel twaalf muren heeft, waar bij elke poort 80 mannen de wacht houden. Walewein blijft volhouden dat hij naar binnen wil en dan zegt Roges dat hij wel een ondergrondse gang weet, waardoor Walewein onder de rivier door kan.

Die avond brengt hij Walewein tot voor de eerste poort aan de andere kant van de rivier en wenst hem succes, waarna hij terugkeert naar zijn prieel. Walewein loopt naar de wachten, die net aan de maaltijd gaan en vraagt hen om onderdak, maar de wachters weigeren dit en vallen Walewein aan. Deze weet een aantal te doden met het zwaard met de twee ringen. Een paar wachters vluchten naar de poort en smeken de wachters die daar posten om binnen gelaten te worden, voor ook zij worden gedood.
Inmiddels is Walewein ook bij de poort aangekomen en vraagt weer om onderdak voor de nacht. Ook deze wachters willen hem gevangen nemen, openen de poort, maar moeten het vervolgens ook afleggen tegen Walewein en het zwaard met de twee ringen.
Ook nu vluchten weer een aantal mannen naar de volgende poort en roepen daar om hulp. Ze worden uitgelachen, omdat ze met zovelen niet een enkele ridder de baas kunnen en openen de poort om te laten zien hoe je zoiets aan moet pakken. Walewein weet zo door te dringen tot de vijfde poort. Hij heeft inmiddels meer dan 300 mannen gedood of gewond. Walewein raakt door het vechten uitgeput en vraagt zich af of hij het zal redden. Op het moment dat de vijfde poort wordt geopend, schuift er een wolk voor de maan en is het helemaal donker. De wachters zien nu niets meer en vallen elkaar aan in de veronderstelling dat ze tegen Walewein vechten.

De mannen bij de zesde poort besluiten om de poort gesloten te houden, tot het weer dag is. Als Walewein dit hoort, gaat hij terug naar de vijfde poort, waar hij een zaal vindt. Hij gaat daar naar binnen en sluit hem af. Er staat een gedekte tafel voor de wachters waar hij aan plaatsneemt en begint te eten. Na het eten valt hij in slaap tot de volgende morgen.

De volgende morgen gaan de mannen bij de zesde poort op onderzoek uit en treffen een slagveld aan. Zij besluiten om zelf op onderzoek uit te gaan met de mannen die de wacht houden van de zesde tot en met de negende poort, voordat ze de koning inlichten. Walewein, inmiddels ook weer op pad, ziet de zesde poort open staan en loopt naar binnen en sluit deze van binnen af, waardoor de mannen buiten niet meer naar binnen kunnen. Hij kan nu doorlopen tot de elfde poort. Ook hier openen de mannen de poort en vallen Walewein aan, maar als ze merken hoe sterk Walewein is, besluiten ze de koning te roepen.

Deze is bij zijn dochter, die hem haar droom vertelt over een dappere ridder, die haar vader schade toebrengt. Hij zegt tegen zijn dochter dat geen enkele ridder het kasteel binnen kan dringen, waarna hij aan tafel gaat. Op dat moment komt een van zijn wachters binnen en deze licht hem in over Walewein. De koning, die zo sterk is als tien anderen, besluit om Walewein zelf tegemoet te treden.

De twee raken in gevecht, waarbij beiden rake klappen oplopen, maar uiteindelijk weet de koning een vermoeide Walewein te overwinnen en gevangen te nemen. Deze wordt afgevoerd, terwijl het zwaard met de twee ringen blijft liggen, omdat niemand het op kan pakken. Isabel, de dochter van de koning, gaat naar haar vader en herinnert hem aan haar droom, maar haar vader wil hier niets van horen en wil Walewein doden, vanwege alles wat hij in het kasteel heeft aangericht. Isabel vraagt of zij Walewein mag spreken, dan mag haar vader de volgende dag met hem doen, wat hem goeddunkt. Haar vader staat dit toe, waarna zij naar de kerker gaat, waar Walewein is opgesloten.

De koning gaat ondertussen zijn verliezen inspecteren. Onderweg komt hij het zwaard met de twee ringen tegen, maar als hij het op wil pakken, schiet er een bliksemstraal uit het zwaard en treft de koning. Hij is er nu zeker van dat de duivel in het zwaard huist en is er nog meer van overtuigd dat Walewein dood moet. Hij rijdt samen met een aantal van zijn mannen verder naar de zesde poort en vind deze gesloten, terwijl zijn wachters buiten staan. Na hun verhalen te hebben aangehoord, begrijpt de koning dat Walewein alleen heeft gehandeld. Hij herverdeelt de overgebleven mannen over de toegangspoorten en neemt de doden mee om ze te begraven.

Ondertussen is Isabel naar de kerker gegaan, waar Walewein gevangen gehouden word en daar hoort ze hem tot God bekennen over zijn liefde die hij heeft opgevat voor haar. Zij laat Walewein geboeid naar haar kamer brengen en stuurt hierna haar mensen weg. Isabel is inmiddels ook verliefd geworden op Walewein en is het oneens met haar vader om hem te doden. Zij maakt de boeien van Walewein los en bekent dat ze liever met hem buiten het kasteel wil zijn. Zij wijst hem op een geheime deur naar een onderaardse gang, die zij alleen kent.

Eerst willen zij elkaar die nacht beminnen, voordat zij willen ontsnappen. Er is op het kasteel echter een ridder, die verliefd is op Isabel en haar voortdurend bespied. Hij ziet dat Isabel en Walewein van elkaar houden en gaat dit aan de koning vertellen. Hij neemt deze mee naar het gat dat hij gemaakt heeft, zodat hij zelf kan zien wat er gebeurt. Op het moment dat de koning kijkt, ziet hij beiden uitgebreid eten, terwijl hij dacht dat Walewein in een kerker opgesloten zou zitten. De koning loopt snel terug om zijn mannen te verzamelen, met het doel om beiden te doden.

Walewein en Isabel horen even later de koning met zijn mannen komen, waarop Walewein zijn harnas aantrekt en een zwaard pakt om zijn huid duur te verkopen. Als de deur is opengebroken, weet Walewein een aantal ridders te doden, totdat hij tegenover de koning staat. Ook deze weet hij zo te verwonden, dat zijn mensen hem snel weghalen. Ze brengen de koning weer bij kennis, waarop deze woedend met tweehonderd ridders terugkeert naar Walewein. Uiteindelijk, ten koste van vele doden en gewonden, weten ze hem te overmeesteren en wordt hij samen met Isabel in een kerker opgesloten, waar zij beiden geboeid worden.

Op dat moment komt de dode ridder, die Walewein overwonnen heeft en die hij de biecht heeft afgenomen en begraven heeft.
Walewein is verbaasd om de dode ridder te zien. Deze zegt dat hij hem en Isabel komt bevrijden, waarop hun boeien breken.
Hij geeft Walewein zijn harnas en zijn wapens, waaronder het zwaard met de twee ringen. Hierna gaan ze samen, Walewein en Isabel op één paard en de dode ridder lopend, terug naar de geheime ingang van de vos, waar ze weer ongezien onder de rivier door kunnen.

Eenmaal terug in het prieel, waar de vos blij is hen beiden te zien, neemt Walewein afscheid van de dode ridder en bedankt hem voor de bevrijding. Hierna verteld Walewein aan de vos Roges al zijn belevenissen en als Roges hoort dat de jonkvrouw Isabel is, is hij opgetogen, omdat hij nu twee van de vier personen voor zich ziet, die de betovering moeten verbreken om weer mens te worden. Hij kan nauwelijks wachten om op pad te gaan, maar Walewein staat er op om eerst een nacht goed te slapen voor ze verder gaan.

De volgende morgen staan ze vroeg op en die dag kunnen ze rustig doorrijden, maar tegen de avond komt hen een ridder tegemoet, die de strijd met Walewein aan wil gaan om de gunst van Isabel. Walewein weet hem met de lans uit het zadel te werpen, maar de ridder geeft het hierna nog steeds niet op en blijft Walewein uitdagen. Walewein weet in het gevecht dat hierop volgt de ridder te doden. Isabel stapt daarna op het paard van de verslagen ridder, waarna ze op onderzoek uit gaan voor een plaats om te overnachten. Na een tijd rijden zien ze een aantal tenten staan, waar een hertog met zijn gezelschap de nacht wil doorbrengen. Walewein en Isabel worden gastvrij ontvangen, waarna ze samen aan de maaltijd gaat. De gastheer betreurt het dat zijn zoon niet aanwezig is, maar tijdens het eten horen ze een luid geschreeuw. Een aantal mannen komt aanrijden met een onthoofd lichaam, roepende dat de zoon van de hertog dood is. Als de dode in de tent wordt gebracht, beginnen de wonden opnieuw te bloeden, ten teken dat diegene die hem gedood heeft in de buurt is.

De hertog begrijpt dat Walewein de dader is die het ook toegeeft, maar zegt wel dat hij zich moest verdedigen, omdat de zoon van de hertog hem wilde doden, om Isabel te schaken. De hertog heeft hier geen boodschap aan en draagt zijn mannen op om Walewein gevangen te nemen. Walewein stelt zich dapper te weer, bijgestaan door de vos Roges, maar uiteindelijk weten ze hem te overmeesteren, ten kostte van vele doden en gewonden.

Walewein, Isabel en de vos Roges worden de volgende dag meegenomen naar het kasteel van de hertog, om daar door zijn baronnen berecht te worden. Terwijl Walewein en Isabel geketend in de kerker zijn, beraadslagen de hertog en zijn mannen over hen.

In de kerker is inmiddels een bewaker gekomen, met het eten. Hij begint Walewein uit te schelden en met een stok te slaan, die woedend wordt, maar vanwege zijn ketenen machteloos is. De volgende dag komt dezelfde bewaker met eten, wat een kwart is van wat een man nodig heeft en wat zij samen moeten delen. Weer slaat hij Walewein, maar dit keer ook Isabel op haar hand, zodat deze begint te bloeden. Walewein wordt hier zo woest over, dat hij zich met een grote krachtsinspanning uit zijn boeien weet te bevrijden en dood vervolgens hun bewaker.

Hij bevrijd Isabel en neemt van hun bewaker zijn sleutels en zijn zwaard. Die nacht gaan ze op onderzoek uit en vinden in een kamer, waar vier ridders slapen, de wapens en het harnas van Walewein. Hij weet deze wapens te bemachtigen, zonder de slapende ridders te wekken. Hierna gaan ze samen naar de stal om Gringolet te halen. Hier vinden ze ook de vos Roges weer en zo weten ze het kasteel ongemerkt te verlaten, waarna ze naar de plaats rijden waar Walewein gevangen genomen is, om het zwaard met de twee ringen op te halen. Onderweg hier naar toe verteld Walewein aan Isabel de reden waarom hij haar is komen halen, nl. voor koning Amoraen, om met hem te trouwen. Isabel is hier boos en verdrietig om, omdat zij dacht bij Walewein te kunnen blijven. Deze belooft haar om hier een oplossing voor te vinden. Als ze het zwaard vinden zegt Walewein dat hij het zwaard zal teruggeven, zodat Isabel bij hem kan blijven.

Een tijdje later komen ze een schildknaap tegen, die ze om de weg vragen naar Ravenstein, het kasteel van koning Amoraen. Deze vertelt hen, dat als ze per boot gaan, ze een flink stuk kunnen afsnijden. Ze besluiten dit advies op te volgen en vanwege een gunstige wind zijn ze al snel bij het kasteel. Hier vraagt Walewein naar koning Amoraen, maar deze blijkt te zijn overleden. Na drie dagen te gast te zijn geweest op het kasteel, vertrekken ze gedrieën naar koning Wonder.

Ze kunnen lange tijd rustig doorrijden. Na een lange rit, vinden ze in een bos een bron, waar ze besluiten te rusten. Walewein valt in slaap en merkt niet dat er een zwarte geklede ridder nadert, die Isabel weet te ontvoeren. De vos Roges weet Walewein te wekken, die zeer vast slaapt en samen zetten ze de achtervolging in. Als ze de zwarte ridder en Isabel hebben ingehaald, weet Walewein de ridder te bewegen Isabel neer te zetten, om tegen hem te vechten.

Ze stoten elkaar met de lans uit het zadel te werken en beiden blijven door de klap verdoofd op de grond liggen. Isabel gaat naar Walewein en haalt ze zijn helm van zijn hoofd, met de bedoeling om hem weer bij zijn positieven te krijgen. De zwarte ridder is inmiddels bijgekomen en ziet Walewein liggen, terwijl zijn hoofd onbedekt is en komt op hem af om hem het hoofd af te slaan, maar deze komt op tijd bij om de slag met zijn schild af te weren, maar de ridder slaat zo hard, dat Walewein er toch een flinke hoofdwond aan over houdt. Hij weet met veel pijn weer zijn helm op te zetten, waarop de strijd verder gaat. De ridder weet Walewein nog enkele malen te raken, zodat het bloed uit een flink aantal wonden loopt, maar uiteindelijk weet Walewein de ridder zo te verwonden, dat deze bewusteloos op de grond valt.

Als Walewein de helm van het hoofd van de ridder haalt, om hem te doden, herkend hij zijn tegenstander. Het blijkt Estor, de broer van Lancelot te zijn. Walewein steekt snel zijn zwaard weer in de schede en begint de wonden van Estor te verzorgen. Als deze weer bijkomt, zet Walewein snel zijn eigen helm weer op, zodat hij niet herkend kan worden. Estor is verbaasd dat hij wordt verzorgd en prijst zijn tegenstander. Op dat moment komt er een man aangereden, met twee bedienden en kijkt verbaasd naar het tafereel. Walewein neemt hem apart en vraagt hem of hij Estor kan verzorgen. De man zegt dat hij dicht bij zijn kasteel is en beloofd Walewein om daar Estor te verzorgen, tot hij helemaal genezen is.

Walewein gaat terug naar Isabel die zijn wonden verzorgt, waarna ze verder gaan, tot ze een kasteel zien. Hier worden ze hartelijk ontvangen, want de kasteelheer blijkt de jongen te zijn, die het paard van Walewein had geleend om door koning Arthur tot ridder te worden geslagen en later na zijn duel door Walewein was ontzet. Er wordt een feestmaal gehouden vanwege het weerzien en die nacht hebben Walewein en Isabel samen een mooi ingerichte kamer tot hun beschikking.

Als Walewein de volgende morgen uit zijn raam kijkt, ziet hij allemaal tenten staan en verbaasd vraagt hij zich af wat er aan de hand is. De kasteelheer besluit om een bode te sturen die aan de belegeraars gaat vragen wat er aan de hand is. Het blijkt te hertog te zijn, uit wiens kasteel Walewein ontsnapt is, samen met Isabel en Roges, nadat hij zijn bewaker had gedood.
De hertog verlangt de uitlevering van Walewein, Isabel en Roges. Hun gastheer besluit om dit niet te doen en stuurt er boden op uit om hulp te halen.

Na drie weken zijn er veel mannen gekomen om hulp te bieden, maar ondanks dit blijft de hertog bij zijn standpunt om het uit te vechten, wat uiteindelijk ook gebeurt. In de strijd die volgt, worden vele mannen gewond of gedood, tot Walewein uiteindelijk de hertog gevangen weet te nemen en naar het kasteel brengt als gevangene. De mannen van de hertog slaan vervolgens op de vlucht, waardoor het weer rustig wordt. Walewein bezoekt zijn gevangene iedere dag om vrede met hem te sluiten, wat na veertien dagen lukt, waarop de hertog mag vertrekken.

Walewein besluit snel hierna om naar koning Wonder te vertrekken, om Roges weer zijn menselijke gedaante terug te geven. Na drie dagen reizen komen ze bij het kasteel aan en als Roges de vier personen bij elkaar ziet, die zijn ban kunnen verbreken, verandert hij in de man die hij ooit was. Koning Wonder krijgt van Walewein het zwaard met de twee ringen en deze krijgt zijn schaakspel.

Hierop vertrekt Walewein snel naar het kasteel waar koning Arthur verblijft, samen met Isabel, Roges en het schaakspel. Als ze hier aankomen, blijken de vader van Isabel en de vader van Roges ook aanwezig te zijn. Een groot feest wordt gegeven vanwege de terugkeer van Walewein en om het slagen van zijn missie.

Penninc en Pieter Vostaert – De jeeste van Walewein en het schaakbord (2 delen)
G.H. Betz – Walewein

Logo Ayame (iris)