Bonte Bessenvlinder – Abraxas grossulariata
De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

De Bonte Bessenvlinder wordt in oude publicaties vaak genoemd, omdat hij in die tijd (voor de Tweede Wereldoorlog) vaak te zien was in Nederland. Daarna is er een sterke terugloop geweest van deze vlinder die samenvalt met de opkomst van DDT en mest. Gelukkig is deze trend langzaam aan het veranderen en wordt de vlinder wat vaker gesignaleerd, al blijft hij op de rode lijst staan als ‘gevoelig’.
Deze foto is dan ook niet in onze achtertuin genomen, maar op vakantie in Bretagne. Hij is meestal te vinden in een tuin of op de heide, zeker als er bessenstruiken (vandaar de naam Bessenvlinder) of Meidoorn en Sleedoorn in de buurt is. Kruisbessenstruiken kunnen volledig leeggegeten worden door deze fraaie vlinder.
Nederlandse namen voor deze vlinder zijn:
- Bonte bessenvlinder
- Bessenspanrups
- Harlekijn
Wetenschappelijke namen zijn:
- Zerene grossulariata
- Abraxas grossulariata
In het boekje Vlinderwereld staat de volgende afbeelding en tekst over de Harlekijn of Bonte bessenvlinder:

Als men zoo nagaat, hoe wie een paar zomers achtereen verzamelt en kweekt, toch altijd betrekkelijk weinig spanrupsen krijgt, dan verbaast men zich onwillekeurig over de enorme massa spanrupsvlinders, die er buiten rondfladderen, niet enkel in de schemering en den nacht, doch ook bij dag, spanrupsvlinders in de grootste verscheidenheid van geslacht en soort, sierlijk bont gekleurde, in doen en laten veel op dagvlinders gelijkend, stille in neutrale tinten gekleede, die naar uilen zweemen, en vreemde in hun eigen typisch zeegroen of goudglanzend gewaad.
Deze vlinder, genoemd naar de kruisbessenstruiken, waarop de rups leeft, al geneert zij zich ook met aalbessen- en pruimebladeren, heeft een beeldig roomkleurig pakje, aan weerszijden zijn de vier vleugels grillig met zwarte vlekken bezaaid, maar toch is de indruk niet als die van een rouwkleed door de twee donkergele, naar oranje overgaande dwarse smalle banden op de voorvleugels, één dichtbij den wortel en één in sierlijke bijna s-vormige bochten van den voor- naar den binnenrand loopend. Juist dat zelfde geel is de tint van het naar spannersaard slanke, lange lichaam, waarover in de engte vijf rijen zwarte stippen loopen. Krachtens die spannersnatuur hebben we hier natuurlijk ook de lange pooten, de weinig ontwikkelde roltong en de fijne draadvormige sprieten, ook bij ’t mannetje maar even gewimperd.
In hoofdzaak heeft de spanrups een dergelijk gekleurd pakje, het geel is hier aan den rand te vinden; op den rug ligt in het roomachtig wit een reeks van vierkante zwarte vlekken, door een fijn zwart lijntje verbonen. De donkergele zijlijnen worden naar den kop toe lichter van tint. Wat de pooten betreft, het zestal aan den eersten, tweeden en derden ring zijn als de kop glanzig zwart, en die kleur hebben ook de krachtige naschuivers, die als twee haakjes vaak zich ver naar buiten buigen. Het andere paar valsche pooten is donkergeel met zwarte stippen, daarop steunt het slanke lijf, als de voorpooten een nieuw rustpunt zoeken, en wanneer zij ze dan bij ’t sich voortbewegen plaatst onmiddelijk achter de gelede van klauwtjes voorziene collega’s, welft zich het lichaam tot een boogje, waarvan de onderzij, evenals de geheele buikzijde van het dier, lichtgeel, is met teere zwarte lijnen aan den kant.
Het keurige, spitse toeloopende tonnetje der naakte pop, meest met enkele spinseldraden omgeven, heeft in den regel aan het achterlijf vier geheele, en verder naar voren drie of vier halve gele ringetjes, en uitloopend in enige kleine haakjes, is het eerste lichtbruin, maar wordt al gauw heel donker; wij hadden er zelfs zwarte met die mooie donkergele dwarsstrepen. Zij behoefden drie- à vier-en-twintig dagen, vóór ze den vlinder de brijheid gaven. Niet al onze rupsen gingen dien gewonen ontwikkelingsweg, een paar waren suf en ziekelijk en op een morgen vonden we op hun lichaam een hoopje lichtgele kleine cocons van een sluipwespje, dat onzen H a r l e k i j n of Abraxas, ook wel Zerene genoemd, den dood had aangedaan.
Er is slechts één generatie per jaar en de onvolwassen rupsen overwinteren.

Ook in de Vlinderatlas uit 1913 is de Bonte bessenvlinder opgenomen:

De Bonte bessenvlinder of Harlekijn (Abraxas grossulariata) is in geheel Europa in tuinen algemeen, ook in ons vaderland. Het bonte schubbenkleed en de voorliefde voor aalbessenstruiken verschaften hem, behalve zijn Hollandsche namen, ook den wetenschappelijken soortnaam. Want onder de vele soorten van bessen is ‘grossularia’ de kruisbes.
Doch, behalve blaren van kruisbessen, versmaadt de rups ook die van aalbessen, vogelkers, meidoorn en wilg niet, zoodat zij in de natuur zich nogal redden kan, als het gewone voedsel op mocht zijn. Ook zij verdient, even goed als de vlinder den naam van ‘bont’; zij is wit met breede zwarte vlekken op den rug; de buikzijde is geel met zwarte stippen. Nadat de rups overwinterd heeft, meestal onder dorre blaren, verpopt zij zich ongeveer in Juni. De pop is zwart met gele ringen, en levert na drie weken den vlinder. De eieren zijn geel.

In Baan’s plaatjesalbum No.1 Nederlandsche Insecten staat het volgende:

Dit is een heel aardig vlindertje, dat om zijn bont uiterlijk harlekijn heet; in Groningen noemen ze hem ‘krentenpannekoek’. Vlucht 40 tot 45 m. M. Het lichaam is geel en zwart bepunt; vleugels wit, met zwarte vlekken en gelen band. Ook aan de rups zien we witte, zwarte en gele kleuren; kop zwart. De rupsjes zien we in het voorjaar op aal- en kruisbessen en op gekweekte ribes heesters; ook wel op frambozen, pruimen en abrikozen. In ’t begin van Juni verpoppen de rupsen in een zeer los spinseltje, uit eenige draden bestaand aan de bladeren. Men ziet haar in ’t spinsel zitten. In Juli en Augustus komen hieruit de vlindertjes, die zeer slecht vliegen; zij leggen hun eieren op genoemde planten. In September komen hieruit weer rupsjes, die eerst wat eten en dan met de bladeren naar beneden komen, waar ze op den bodem overwinteren. De rupsen zijn spanrupsen. In het voorjaar komen ze onder den rommel vandaan en beginnen haar vreterij. Men kan deze rupsjes kwijtraken door den rommel onder de bessen bijeen te harken en te verbranden. De rupsen worden door verschillende sluipwespen aangetast.
