Papegaaiduiker – Fratercula arctica
De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

Tijdens een vaartochtje door een fjord in Noorwegen kwamen we deze Papegaaiduiker geheel onverwacht tegen. Later, in IJsland – waren zijn we ze ook weer tegengekomen ondanks dat het seizoen om ze te zien al voorbij was. Ze waren aan het vissen op een plaats waar vogelliefhebbers ze niet zoeken. Het blijft een bijzondere vogel waarbij het telkens weer een welkome verrassing is om hem tegen te komen.



In het Verkade plaatjesalbum Winter staat de volgende afbeelding en tekst:

Een eindje verder vinden we een zeekoet, dan wat alken, een kleine alk en een papegaaiduiker. Al deze vogels zijn gemakkelijk te herkennen aan hun lichaamsvorm en aan hun snavels. Hun zwempooten staan ver achterwaarts en op ’t gebied van staarten hebben ze weinig te vertooenen. Dat komt doordat ze de gewoonte hebben van te staan en te gaan met opgericht lichaam. Hun veeren zijn dicht en pelsachtig, zeer vet en vormen een uitmuntende bescherming tegen de koude.
Maar ’t meest kijken we toch naar de snavels. Die van de zeekoet is heel gewoon van vorm: een mooie, slanke spitse vogelsnavel. Die van de alk echter is hoog en smal en heel bijzonder geteekend met een paar witte streepjes. De voor- en bovenzijde is haast zoo scherp, als een bot mes, en ’t lijkt ons wel een beetje overdreven, dat de Engelschen onzen vogel “Razor-Bill” (= scheermessnavel) noemen.
De bek van den papegaaiduiker lijkt wel wat op die van de alk, maar is nog versierd met allerlei bonte kleuren, zoodat deze vogel, ook door zijn roode pooten en loggen lichaamsvorm al zeer sterk van den gewonen vogelvorm afwijkt.
De papegaaiduiker broedt in holen, liefst in konijnenholen, als hij die vinden kan. Een enkele maal komen alken en papegaaiduikers ook wel levend bij ons aan.

Ook in het eerste deel van het plaatjesalbum Hoe heet die vogel? komen we de Papegaaiduiker tegen:

Hier heet de Papegaaiduiker de ‘Zuidelijke Papegaaiduiker’.
Schedel, band om den hals en bovenzijde zwart, keel en streek om het oog lichtgrijs, een donkere streep langs de keel. Onderzijde wit. Iris grijsbruin, om het oog een roode kring, onder en boven het oog blauwgrijze naakte vlekjes. Groote snavel zeer hoog, bont; de zijkanten blauwgrijs,d e rest rood en geel, bij de mondhoeken rood. In winterkleed is de snavel minder fel gekleurd. Jonge dieren hebben een minder hooge, meer puntige snavel. Pooten vermiljoenrood, in den winter geelachtig. In jeugdkleed vleeschkleurig.
Helaas is de rest van de gegevens uit dit boekje niet beschikbaar, omdat de bladzijde is afgescheurd.
