Zwarte Mees – Peripatus ater
De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

De Zwarte Mees is een vogel die op de rode lijst staat. Groot was dan ook mijn verbazing dat ik er meerdere in onze tuin zag vliegen, waar ze kwamen eten van het aangeboden voer dat ik aanbied als het guur weer is of als het vriest.
Ik moest wel goed kijken om ze te kunnen onderscheiden van een Koolmees, maar hun kleuren zijn duidelijker minder fel en de witte streep op zijn achterhoofd gaf de doorslag.



In het Verkade plaatjesalbum Winter beschrijft Jac.P. Thijsse de Zwarte Mees tijdens het benoemen van alle mezensoorten die algemeen voorkomen:

Rondom ons buitelen de staartmezen. op den grond ritselt het in de dorre bladeren, daar zit het vol van koolmeezen met hun zwarte koppen en zwarte middenstreep over de gele borst. Pimpelmeesjes blinken blauw in de witte berkjes.
“Pèh, pèh, pèh”een komiek scherp roepje. Dat is afkomstig van de zwartkopmees; zwarte kop, witte wangen, groengrijs lichaampje, groote druktemaker en aardige zanger.
Nu zit daar een oogenblikje op een tak vlak bij ons alweer een andere witwang, niet met bijzonder schitterende kleuren, maar met een prachtig spits kuifje op den kop, de pientere kuifmees. Dadelijk is hij weer weg, maar een oogenblikje later zitten er weer twee op een ander takje. Overal in ’t rond is gekletter van klauwtjes tegen de takken, geruisch van vleugeltjes en gepiep, gemiesper, geroep, getjingel, geluid van allerlei soort.
Tusschen de koolmezen op de grond zijn er een paar wat kleiner en die hebben een heel groote witte vlek in den nek. Ze zoeken vruchtjes van den grond en gaan die op een takje stuk hameren. Dit zijn de zwarte meesjes.

In het plaatjesalbum Hoe heet die vogel? wordt de Zwarte Mees op de volgende manier beschreven:

Zwarte Mees Swarte Mies, Wâldmies
Wangen en een groote vlek achter in den nek wit, de rest van kop en keel zwart. Rug blauwgrijs, naar de stuit meer bruinachtig, buik witachtig, naar de lichaamszijden meer roestkleurig. Over de donkere vleugels een breede en een meer onduidelijke, witte dwarsband. Staart grijszwart. Het vrouwtje heeft minder zwart aan de keel. Iris bruin, snavel zwart, pooten loodgrijs.
Vrij algemeene broedvogel in naaldbosschen in het Oosten e Zuiden des lands. Enkele broeden ook in de dennenbosschen van de duinen. (Bergen, bij Santpoort, Vogelenzang).
Voedsel: Allerlei insecten en zaadjes (vooral van coniferen). Nestelt in holen en gaten, meestal vlak bij den grond, in een holte onder boomstompen, in muizengaten, konijnenholen, soms in een oud nest (Lijster). Het nest bestaat uit allerlei plantaardig materiaal, mos, etc. gevoerd met haren en soms veertjes.
Broedtijd: Mei – begin Juili. Eieren: 7-10 (nalegsel 6-7) melkwitte eieren met roodbruine vlekjes, vaak een krans aan de stompe pool vormend.
Broedduur: ± 13 dagen, Het vrouwtje broest wel hoofdzakelijk alleen. In den regel één, soms twee broedsels per jaar.
Veldkenmerken: De groote, zuiver witte nekvlek is het beste kenmerk en sluit verwarring met alle andere Meezen uit. Naar verhouding is de kop vrij groot. Houdt zich voornamelijk tusschen coniferen op, vooral op zilversparren. Lokroep een dun en zacht “siet siet siet”. Alarmkreet: sie tèk tèk”. De zang is een zeer zacht en fijn en heel hoog “tuwie-tuwie-diedeldiel”.
Trekgegevens: Strandvogel. Soms in flink aantal doortrekkend ook in het Westen, waar ze in de duinstreek in klein aantal overwinteren (Haarlemmerhout, Bergerbosch, bij Den Haag).
