Huismoeder (Noctua pronuba)

De afbeeldingen kunnen worden vergroot door hierop te klikken. Om terug te keren naar de tekst, klik nogmaals.

De Huismoeder is onder meerdere namen bekend:

  • Huismoeder
  • Hooivlinder
  • Geelbanduil

Ook bij de wetenschappelijke namen zijn er meerdere:

  • Noctua pronuba
  • Agrotis pronuba
  • Triphaena pronuba
  • Triphaena innuba

In het boekje Vlinderwereld wordt de Huismoeder als volgt omschreven:

Een zeer veelvuldig voorkomende, mooie, groote uil, gemakkelijk te herkennen aan haar helder oranjekleurige achtervleugels, met een breede naar binnen wat smaller wordende zwarte streep. Gij zult dezen nachtvlinder zeker wel eens overdag in een hoekje van uw kamer gevonden hebben, want hij vliegt veel de huizen binnen, en als gij hem dan wilt grijpen, weet hij met zijn sterke lange pooten, en terwijl zijn gladde voorvleugels plat, niet dakvormig, over de achtervleugels heen geslagen zijn, behendig onder uw hand of uit het doosje weg te glijden, want het is een sterke, vlugge gast.

Die mooie achtervleugels zijn altijd gelijk, en ook de vorm van de vrij lange en smalle voorvleugels, de lange draadvormige sprieten, de onbehaarde en onbewimperde oogen, de korte spitse tasters, en het nog al lange eenigszins platte geelgrijze achterlijf, bieden geen verschil. Maar overigens zijn lang niet alle exemplaren van de zelfde soort gelijk. “In grondkleur van thorax en voorvleugels” – zegt Snellen, onze grootste Nederlandsche lepidopteroloog – “varieert deze vlinder tot in het oneindige; men vindt geen twee stukken gelijk. Sommige zijn zwartbruin, andere roodbruin, geelbruin, leemkleurig, blauwgrijs tot zwartgrijs.” In verband hiermede komen de uilenvlekken zeer ongelijk uit; de lichtgekleurde ronde vlek is sons goed, soms nauwelijks te zien, maar de donkere niervlek en ook een donker vlekje aan den voorrand dicht bij de punt vallen meestal duidelijk in het oog.

Terwijl allerlei overgangen niet ontbreken, zijn er twee hoofdvormen duidelijk te onderscheiden, die beide hier te lande algemeen zijn. De echte typische Agrotis pronuba heeft een mooi fijn bruin geranden, l i c h t g e k l e u r d e n h a l k r a a g, die scherp afsteekt bij den zeer donkeren rug, en waarvan de lichte tint nog even er achter en ook langs den voorrand der vleugels tot voorbij de ronde vlek voortzet. Bij de Agrotis pronuba van de varieteit innuba daarentegen is de halskraag van de zelfde kleur als thorax en voorvleugels en wel meestal bruingeel.

De vlinder vliegt in Juni en Juli, voortgekomen uit een rups die overwinterd had, en zich in het voorjaar in den grond had verpopt. Merkwaardigerwijs vertoont de rups ook sterke kleurverschillen. Zij leeft op zuring, weegbree, melde en ook op primula’s en viooltjes en is nu eens donkerbruin, dan weer geelgroen, doch altijd met 3 doorlopende lengestrepen, en op elken ring, van den vierden af, met een afgebroken lengestreepje voorzien.

Voor den naam H u i s m o e d e r, dien deze mooie vlinder draagt, weten wij geen andere verklaring dan dat men er iets dergelijks mee heeft willen uitdrukken als met den soortnaam pronuba, een bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk. Waarom echter juist deze Agrotis meer met dit laatste te maken heeft dan eenige andere lepidopteer blijft een raadsel.

In het Verkade-plaatjesalbum De bonte wei heet deze vlinder Geelbanduil en wordt als volgt omschreven:

Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breden zwarten streep er over heen.

Dit is de huismoeder of geelbanduil, je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.

In de Vlinderatlas wordt de Huismoeder als volgt beschreven:

Deze uit, de Huismoeder (Agrotis pronuba) is wel een der meest gewone en tevens meest bekende vlinders, omdat zij de huizen binnenkomt. In Holland vond ik dit dier zooveel, dat ik er ’s avonds bij een verlicht raam, avonden achtereen, tientallen bij elkaar kon vangen.

De voorvleugels zijn aard- of roestkleurig bruin, met onduidelijke dwarsstrepen, en een klein zwart vlekje aan den voorrand vóór de vleugelpunt. Achtervleugels okergeel, met smallen zwarten dwarsband, zonder middenvlek.

De r u p s is meestal aardkleurig, met drie lichter getinte ruglijnen, waarlangs weer dikke zwarte strepen loopen. Leeft, zooals A. fimbria, overwinterd op allerlei lage planten, grassen b.v. Overdag houdt zij zich schuil, heel ondiep onder de aarde.

De p o p is roodbruin met twee dorens aan den laatsten lichaamsring.

Logo Ayame (iris)