De lege plek

het nadruppelen
van gindse regenwolken
de geur van nat bos

aan alle kale twijgen
hangen nu parels van licht

de beukenstammen,
nat glimmen ze in zonlicht
dat naar voorjaar neigt

daar liggen ze dan:
in moten op een stapel
met daarop een naam

even aarzelt de vogel
bij de lege plek, vliegt dan door

de regen is weg
vogels zijn gevlogen
alleen stilte bleef

Henk van der Werff (1,3,5)
Nico van Dam (2,4,6)

Kabouterstad

Dit jaar begint het voorjaar al in februari. Veel te vroeg voor de tijd van het jaar, maar gezien de pandemie met bijbehorende regels een uitkomst. Eindelijk kun je weer eens lekker naar buiten waar veel mensen net zo over denken gezien de drukte in het bos bij ons in de buurt.

Wie ik er ook tegenkom zijn de kabouters. Ze staan erbij of ze – net als wij – een wandeling gaan maken. Normaal krijg je kabouters niet te zien, maar wij zijn de gelukkigen die ze een keer treffen.

Een kind met fantasie heeft aan de voet van een eik, waar een opening is, een familie van kabouters neergezet. Ik zoek of ik kinderen zie of hoor, maar zie niets. Gelukkig zijn kabouters oud en wijs genoeg om alleen op pad te kunnen gaan.

open jassenweer
een spoor van verse molshopen
langs het wandelpad